100 jaar algemeen kiesrecht: De strijd voor stemrecht voor iedereen

In 2019 vieren dat Nederland al honderd jaar het algemeen kiesrecht kent voor mannen én voor vrouwen. Het stemrecht voor man en vrouw lijkt tegenwoordig vanzelfsprekend. Maar dat was het 100 jaar geleden beslist niet! Voor het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen is jarenlang strijd geleverd, ook in de gemeente Voorst.

Tot 1917 mochten alleen bemiddelde en goed opgeleide mannen stemmen. In 1917 kregen álle mannen vanaf 25 jaar kiesrecht. Het aantal stemgerechtigden nam hierdoor toe met 40 procent. Ook kregen in 1917 vrouwen het recht om zich verkiesbaar te stellen (het passieve kiesrecht).

In 1919 volgde een nog grotere uitbreiding van het aantal kiezers: toen kregen vrouwen ook het recht om zelf te kiezen en steeg het aantal kiezers met 117 procent. Op 10 juli 2019 is dat precies honderd jaar geleden! Toen werd het voorstel van Hendrik Pieter Marchant voor een wetswijziging van de kieswet aangenomen in de Eerste Kamer. Vanaf die dag was het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen daarmee een feit. De wijziging hield in dat het woord 'mannelijk' uit de kieswet werd geschrapt. 

Demonstratie voor vrouwenkiesrecht

1848: De grondwetswijziging van Thorbecke

Met de grondwetswijziging van Thorbecke uit 1848 werd de basis gelegd van onze tegenwoordige parlementaire democratie. De macht van de koning werd aanzienlijk ingeperkt en de bevolking kreeg meer rechten en vrijheden. Maar van een algemeen kiesrecht was nog lang geen sprake. De verkiezingen in die tijd werden gehouden volgens het principe van het absolute meerderheidsstelsel. Nederland was verdeeld in districten, waarin kandidaten de absolute meerderheid (de helft plus één) moesten halen. Vaak was een tweede stemronde nodig, waarin de kandidaten met de meeste stemmen streden om hun uitverkiezing.

Het kiezen van het parlement bleef een elitaire kwestie. Alleen mannen, die minstens drieëntwintig jaar oud waren en een bepaald bedrag aan belasting betaalden, mochten stemmen (censuskiesrecht). In 1848 mocht daardoor maar 11% van de mannen stemmen. Vrouwen waren helemaal uitgesloten van het kiesrecht. Het raadslidmaatschap voor het leven werd in 1848 vervangen door een zittingstijd van zes jaar. Elke twee jaar trad een derde van de raadsleden af. Voor de vrijkomende zetels werden gemeenteraadsverkiezingen gehouden.

Felle politieke strijd

Rond 1870 kwam dit censuskiesrecht steeds meer ter discussie te staan. Vooruitstrevende liberalen voerden een felle politieke strijd voor de uitbreiding van het kiesrecht. In 1887 ging de Tweede kamer tenslotte akkoord met een grondwetswijziging, waarin het kiesrecht werd verruimd. Ook zij die ‘kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand’ bezaten mochten voortaan stemmen. In 1890 mocht ongeveer 14% van alle mannen van 23 jaar en ouder stemmen. Voor de helft van de bevolking werd het er echter niet beter op, integendeel: in de grondwet stond na deze grondwetswijziging expliciet vermeld dat vrouwen geen stemrecht bezaten.

Verruiming kiesrecht

In 1891 wonnen de liberalen de verkiezingen voor de Tweede Kamer. Een uitgelezen kans om het kiesrecht verder te verruimen! Minister Tak van Poortvliet ontwierp daarom een nieuwe kieswet. Maar het werd een drama! Het wetsontwerp van Tak leidde tot grote verdeeldheid in de Tweede Kamer. De tegenstellingen liepen dwars door de partijen heen. De wet haalde het dan ook niet en het hele kabinet trad af. De daarop volgende verkiezingen van 1894 werden gewonnen door de behoudende liberalen en de christelijke partijen.

Kieswet van Van Houten

De opvolger van Tak van Poortvliet, Samuel van Houten, kwam met een nieuw wetsvoorstel, dat uiteindelijk in 1896 uitmondde in de kieswet van Van Houten. Het kiesrecht werd uitgebreid: men kwam in aanmerking voor het kiesrecht voor de Tweede Kamer als men een man van minstens vijfentwintig jaar was en een bepaald bedrag aan belasting betaalde of spaargeld bezat. Ook verschillende behaalde examens, een bepaald salaris of spaargeld en het bezit van een eigen woning werden criteria voor de verkrijging van het kiesrecht.

Bij de verkiezingen voor de gemeenteraden bleef het censuskiesrecht bestaan. De wet leidde tot een toename van het aantal kiezers. In 1900 was 49 % van alle mannen boven de vijfentwintig jaar in het bezit van het kiesrecht. In 1913 was dat percentage gestegen tot 65%.

Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht

Aletta Jacobs, een van de voorvechtsters van het vrouwenkiesrecht, had al in 1883 geprobeerd op de kiezerslijst van Amsterdam te komen. Dat lukte haar niet, maar de strijd ging door. In 1894 werd de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht opgericht, die in 1897 ook een afdeling in Zutphen kreeg. In Deventer en Apeldoorn duurde het nog een aantal jaren, maar rond 1906-1908 kwamen ook daar afdelingen van de vereniging tot stand. En uiteindelijk kreeg ook Twello in mei 1911 een eigen afdeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Het bestuur werd hier gevormd door Elisabeth Margaretha Anne Marie Tymann-Bakker, Martha Johanna Jansen, Cornelia Schanstra en de zussen Alida Alberdina en Johanna Wilhelmina Wichers. Drie van deze vijf vrouwen waren onderwijzeres, vrouwen dus die gestudeerd hadden en een veeleisend beroep uitoefenden. Dat ze desondanks niet mochten stemmen, moet zeer frustrerend zijn geweest.

Roode Dinsdag

In 1894 werd de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) opgericht, die voorstander was van het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen van 20 jaar en ouder. De SDAP nam in 1910 het initiatief tot een volksraadpleging voor algemeen kiesrecht. Het volkspetitionnement voor algemeen kiesrecht werd door 317.000 mensen ondertekend. Op Prinsjesdag 1911 werd de zogeheten eerste 'Roode Dinsdag' georganiseerd. Zo'n 20.000 mensen demonstreerden in Den Haag voor algemeen kiesrecht. Een jaar later was er een tweede Roode Dinsdag.

Evenredige vertegenwoordiging

Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer van 1913 behaalde de SDAP een grote overwinning, maar de partij wilde niet samen met de liberalen regeren. Er kwam een extraparlementair kabinet-Cort van der Linden, dat een grondwetswijziging presenteerde met algemeen mannenkiesrecht en gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. Vrouwen mochten nog steeds niet stemmen, maar konden wel gekozen worden.

Om deze grondwetswijziging voor elkaar te krijgen bij de confessionelen, die tegen het algemeen kiesrecht waren, werd een uitruil bedacht. De confessionelen kregen financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs, de sociaaldemocraten en liberalen verwierven hun algemeen kiesrecht, voorlopig alleen nog voor mannen. Dit leidde uiteindelijk tot de grondwetswijziging van 1917. Naast het algemeen kiesrecht voor mannen, bevatte deze wijziging nog een belangrijke verandering: het districtenstelsel maakte plaats voor het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging, het stelsel dat we nu nog steeds hebben. De politieke partijen kregen meer macht: men stemde niet meer op een willekeurig persoon, maar op een kandidaat op een lijst. Op 12 december 1917 werd de grondwetswijziging afgekondigd vanaf de gemeentehuizen.

Ondertussen in Twello

In het gemeentehuis in Twello draaide alles intussen op eenzelfde wijze door, zoals het al decennialang was gegaan. Burgemeester Baron A.C. van der Feltz leidde de gemeenteraadsvergaderingen en had grote invloed op de besluitvorming. Erg frequent werd er overigens niet vergaderd, zeker niet gedurende de eerste wereldoorlog, toen het gemeentehuis ook dienst deed als distributiekantoor. In maart 1917 merkte gemeenteraadslid Jansen op dat de laatste vergadering van de raad op 4 december was geweest en of dat niet wat lang geleden was, 'vooral met het oog op de volkswoede, wat toch een gewichtige zaak is.' De voorzitter antwoordde  'dat de raad hem wel niet aan rogge zal helpen en als er raadsvergadering wordt gehouden, moet thans alles van de distributie uit de zaal en gang verwijderd worden, zodat in deze tijden de raadsvergaderingen zoolang mogelijk zullen worden uitgesteld.' 

Nieuwe partijen

Maar de tijden veranderden en de landelijke ontwikkelingen lieten ook de gemeente Voorst tenslotte niet onberoerd. De voorzitter van de plaatselijke afdeling Twello van het Algemeen Nederlandsch Werklieden Verbond, D.H. Jansen, verwoordde het aldus: 'Het is nodig het conservatieve element in onze gemeenteraad te bestrijden.'

Er werden afdelingen van de Algemeen Nederlandsch Werklieden Verbond (ANWV) opgericht, die in het gemeentebestuur invloed probeerden te krijgen. Op 9 juli 1917 moesten vijf nieuwe raadsleden worden gekozen. De kandidaten van het ANWV deden mee aan de verkiezing, maar veroverden nog geen zetel. Datzelfde jaar werden in Twello, Voorst, Wilp en Terwolde plaatselijk afdelingen van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij, de SDAP, opgericht.
En er kwamen meer nieuwe partijen. In de gemeenteraad van Voorst hadden twee leden van de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) zitting, de uitgever J.F. Wegener uit Twello en H.B. Scholten uit Terwolde. De VDB was in 1901 ontstaan toen verschillende kiesverenigingen zich afscheiden van de Liberale Unie en samengingen met de Radicale Bond van Treub. De partij had een links-liberale signatuur en was voorstander van het algemeen kiesrecht en voor gelijke rechten van de vrouw.

Suze Groeneweg

De verkiezingen voor de Tweede Kamer van 1918 waren de eerste verkiezingen, waarbij alle mannen van 25 jaar en ouder stemrecht hadden. Vrouwen mochten weliswaar nog niet stemmen, maar konden al wel gekozen worden. Suze Groeneweg, lid van de SDAP, stelde zich verkiesbaar. Suze Groeneweg werd de eerste vrouw in de Tweede Kamer: "Ik heb niet met kleine politieke bedoelingen geijverd voor de invoering van het vrouwenkiesrecht, maar heb deze gezien als een onderdeel van de algemene emancipatie van de vrouw." 

De eerste gemeenteraadsverkiezingen in Voorst na de invoering van het algemeen mannenkiesrecht en het passief kiesrecht voor vrouwen, waren die van 14 mei 1919. Het aantal kiezers was flink toegenomen en dat was aan de uitslag te merken.Twee nieuwe partijen deden hun intrede in de gemeenteraad: de SDAP met vier en de gezamenlijke christelijke partijen met twee leden. Verder waren de Vrijzinnig Democraten met twee, de Groep Vrijzinnige Kiezers met vier en de Katholieken met twee personen vertegenwoordigd in de raad. Op 2 september 1919 trad het nieuwe gezelschap aan. 

Sociaaldemocraten in de gemeenteraad van Voorst

Vanaf de eerste gemeenteraadsvergadering in deze nieuwe samenstelling knetterde het. Het was uit met de gezapigheid. De sociaaldemocraten wisten keer op keer de agenda naar hun hand te zetten. De eerste sociaaldemocraten in de gemeenteraad van Voorst waren B. Denekamp uit Twello, G.B.J. Lukkes uit Voorst, J. Peters uit Wilp en D.W. de Weerd uit Terwolde. Erg tevreden over de gang van zaken was de fractie overigens niet: de teleurstelling overheerste. Volgens de sociaaldemocraten waren de gemeenteraadsleden, inclusief de vrijzinnig democraten, oerconservatief en werden veel van hun voorstellen weggestemd. Berend Denekamp was de aanvoerder van de SDAP-fractie in de gemeenteraad. Hoewel ook de andere SDAP´ers zich niet onbetuigd lieten in de vergaderingen van de raad, was hij het meest spraakmakend.

Berend Denekamp werd op 2 augustus 1890 in Twello geboren als oudste zoon van Hendrik Jan Denekamp en Hendrikje Raaijen. Vader Hendrik werkte als daghuurder, moeder Hendrikje was huisvrouw. Ze waren op 10 mei 1890 getrouwd en na Berend kwamen er nog zes kinderen, van wie er twee jong overleden. Het gezin woonde op het boerderijtje de Enk aan de Basseltlaan in Twello. Toen Berend negen jaar oud was overleed zijn vader. Eind 1909 verhuisde moeder Hendrikje met haar vijf kinderen naar de Stationsstraat. De moeder van Hendrikje, die ook weduwe was, kwam bij hen inwonen.
Berend ging als huisschilder werken en raakte geïnteresseerd in de arbeidersbeweging. Het was een roerige tijd in de Nederlandse politiek en Berend voelde zich aangetrokken tot de sociaaldemocratie. Ook in de gemeente Voorst werden politieke bijeenkomsten gehouden en Berend was er als achttienjarige jongen misschien wel bij toen de SDAP-kandidaat voor de tweede Kamerverkiezingen, Van Hinte, op 21 mei 1909 in hotel van Enter een politieke rede hield. In elk geval was hij in 1917 kandidaat-raadslid voor de SDAP. De tijd was echter nog niet rijp voor een sociaaldemocraat in de gemeenteraad van Voorst. Berend moest nog twee jaar geduld hebben.

Berend Denekamp werd in september 1919 als sociaaldemocraat gekozen in de gemeenteraad van Voorst.  Daarnaast was hij actief in diverse door de arbeidersbeweging geïnspireerde verenigingen. Zo was hij een van de oprichters van de Arbeiders Coöperatie Volksbelang, voorzitter van het ziekenhuis-, verplegings- en operatiefonds en voorzitter van het ziekenfonds.
Tegelijk met hem waren in 1919 nog drie SDAP´ers in de gemeenteraad gekomen, maar Berend was het meest spraakmakend. Een felle man met principes, die geen blad voor de mond nam. Het was afgelopen met de gezapigheid, die het gemeentebestuur kenmerkte en waarin de burgemeester altijd het laatste woord had.
Er kwamen nieuwe onderwerpen op de agenda maar vaak haalden de voorstellen van de sociaaldemocraten het niet. Berend klaagde dat zijn fractie tegengewerkt werd en soms liepen de gemoederen hoog op. Begin januari 1924 ontstond een heuse affaire rond zijn persoon, die zelfs de landelijke pers haalde. Berend had zich borg gesteld voor een aannemer, aan wie het schilderwerk van een school was gegund. Er was sprake van belangenverstrengeling en het college van B en W stelde in de gemeenteraadsvergadering van 4 januari voor om Berend te schorsen. Zover kwam het niet: Berend had al ingezien dat hij de zaak niet handig had aangepakt en had ontslag genomen. Eind 1924 was hij alweer terug in de gemeenteraad, waar hij zijn progressieve, sociale koers bleef volgen.

Inmiddels was Berend met zijn gezin verhuisd naar het Tuindorp in Twello. Die woonomgeving paste bij zijn overtuiging. Het was een modern, ruim opgezet arbeiderswijkje met veel groen.
Berend Denekamp bleef ruim negen jaar gemeenteraadslid. Zijn laatste raadsvergadering, waar hij in persoon aanwezig was, was die van 13 september 1928. Daarna verscheen hij plotseling niet meer op de vergaderingen. Begin 1929 werd hij daarom noodgedwongen in de gemeenteraad vervangen. Nooit is duidelijk geworden waarom hij zich zo abrupt terugtrok uit dit politieke leven. Wel bleef hij actief in de besturen van verschillende maatschappelijke organisaties. Hij overleed op 6 juli 1932 na een kort ziekbed op 41-jarige leeftijd in het ziekenhuis in Deventer. Op 1 augustus 1932 werd hij herdacht in de Voorster gemeenteraad. De andere leden van de SDAP-fractie zetten de kritische, sociaaldemocratische lijn voort. 

Alcoholmisbruik

De twee leden van de gezamenlijke christelijke partijen die na de invoering van het algemeen mannenkiesrecht en het passief kiesrecht voor vrouwen hun opwachting maakten in de gemeenteraad van Voorst, brachten eveneens een nieuw geluid naar voren. Zo wilden de raadsleden G.J. Wolters uit Voorst en A. van Est uit Terwolde de kermis afschaffen. Het ging hen eigenlijk niet om de kermis zelf, maar wel om het alcoholmisbruik op deze kermis. Door hun toedoen stonden de kermis en het alcoholmisbruik in de gemeente dikwijls op de agenda van de toenmalige raadsvergaderingen. 

Kiesrecht voor vrouwen

Op 9 mei 1919 was het dan eindelijk zover: een wetsvoorstel van de liberaal Hendrik Pieter Marchant om het woord 'mannelijk' in de Kieswet te schrappen en het actief kiesrecht ook voor vrouwen te laten gelden, werd aangenomen in de Tweede Kamer. Op 10 juli 1919 werd het voorstel ook aangenomen in de Eerste Kamer: het algemeen kiesrecht in Nederland was een feit. Overigens duurde het nog tot de Tweede Kamerverkiezingen van 1922 dat vrouwen ook daadwerkelijk de kans kregen hun stem uit te brengen. 
Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1922 mochten vrouwen voor het eerst op landelijk niveau stemmen. Er kwamen zeven vrouwen in de Tweede Kamer en dat aantal zou in de daaropvolgende jaren gestaag stijgen.

Eerste vrouwelijke raadslid in Voorst

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1923 mochten de vrouwen voor het eerst ook op gemeentelijk niveau stemmen. In de gemeente Voorst stelde het echtpaar Straalman zich verkiesbaar voor de SDAP en werd gekozen. Voorst had zodoende al vroeg een vrouwelijk raadslid. Harmina Straalman-Kremer werd op 4 september 1923 geïnstalleerd als lid van de gemeenteraad van Voorst. Veel veranderde er niet door haar komst. De raad werd als vanouds door de voorzitter aangesproken met 'Mijne Heren'.

Dit was haar partijgenoot Berend Denekamp een doorn in het oog en hij bekritiseerde de voorzitter hiermee. Deze vond het maar spijkers op laag water zoeken, maar beloofde zijn leven te beteren. Overigens was de aanwezigheid van Harmina Straalman-Kremer in de raad maar van korte duur. In september 1924 namen zij en haar man afscheid van de raad wegens hun vertrek naar Hilversum.

Lees hier meer over Harmina Straalman-Kremer

38 jaar later....

Het zou vervolgens nog 38 jaar duren voor er opnieuw vrouwen in de gemeenteraad van Voorst werden gekozen: Else Gerda van Heuven-Reesink en Maartje de Kruijff-Groenenboom. Zij werden op 4 september 1962 beëdigd. De toenmalige voorzitter bleek meer attent dan zijn voorganger uit 1923, want hij opende de vergadering  met ‘dames en heren.' De notulen vermelden verder: ‘Om een en ander nog te accentueren is een vaasje met bloemen voor de dames neergezet. De onkosten hiervan worden bestreden uit de post ‘onvoorzien’. Ten tijde van het opstellen van de begroting was namelijk nog niet te voorzien dat in de nieuwe raad een tweetal dames zitting zou nemen.’

Algemeen kiesrecht; een geweldig recht!

In de afgelopen honderd jaar na de invoering van het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen, zijn nog vele veranderingen doorgevoerd. De stemgerechtigde leeftijd ging bijvoorbeeld in stappen naar de huidige 18 jaar, de opkomstplicht werd afgeschaft en de Tweede Kamer werd uitgebreid van 100 naar 150 leden. En niet te vergeten; we stemmen sinds 1979 ook voor het Europese parlement! 

Het recht om je stem uit te brengen lijkt in Nederland tegenwoordig als vanzelfsprekend. Maar hier is ook in Nederland hevig om gestreden. In veel plaatsen in de wereld zijn het stemrecht en democratie een utopie. Vandaar dat wij het recht om onze stem te mogen uitbrengen moeten vieren! Keer op keer! Want het kiesrecht, dat is een geweldig recht! 

Stuur door

Stuur dit artikel door

stuurartikeldoor

Data