De joodse slachtoffers in de gemeente Voorst

In maart 1933 neemt Hitler de macht over in Duitsland. Dat er in het buurland wat aan de hand is, is vreemd genoeg te zien in het bevolkingsregister van de gemeente Voorst. Er worden vanaf 1933 opvallend veel Duitse en Midden-Europese joden ingeschreven en dit gaat door tot in 1940. Daarna is het voor een joodse vluchteling ook in Nederland niet meer veilig, want al vrij snel na de machtsovername door de Duitsers in mei 1940 wordt begonnen met de uitsluiting van joden uit de Nederlandse samenleving. Er komt in januari 1941 een landelijke aanmeldingsplicht, die op gemeentelijk niveau wordt uitgevoerd door de ambtenaar van de burgerlijke stand.

De burgemeester van Voorst stuurt op 13 maart 1941 61 aanmeldingsformulieren van joodse inwoners naar het hoofd van de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters in Den Haag. Het gaat om 59 personen met vier joodse grootouders en twee personen met twee joodse grootouders. Er zijn geen kopieën van de formulieren in het gemeentearchief aanwezig. Wel is er een ongedateerde lijst te vinden met daarop de namen van 58 personen, die op dat moment in het bevolkingsregister van Voorst staan geregistreerd als zijnde joods. De lijst is waarschijnlijk in de zomer van 1942 opgemaakt en bevat de namen van 33 personen met de Nederlandse nationaliteit en 25 personen die afkomstig zijn uit Midden-Europa, inclusief Duitsland.

Een aantal van de Nederlanders is geboren in de gemeente Voorst of woont al jaren in Voorst. Dat zijn de families Van Spiegel, Vredenburg, De Jonge en Baruch in Twello en de familie Van Gelder in Voorst. Alle zijn verbonden met de vleesverwerkende sector. Ook de jurist Herman Visser woont al sinds 1924 in het dorp Voorst. Wat opvalt bij de overige Nederlanders is dat het allemaal jonge mensen zijn met een leeftijd tussen de 21 en 29 jaar en dat op de lijst staat dat ze als landbouwer werkzaam zijn. Ook de mensen die afkomstig zijn uit het buitenland, zijn voor het merendeel jong, tussen de 19 en 26 jaar en werkzaam in de landbouw.

Wat is hier aan de hand?

Dat zo veel joodse jongeren staan ingeschreven in het bevolkingsregister van Voorst heeft te maken met de ‘Vereeniging tot Vakopleiding van Palestina-Pioniers’, die in 1918 is opgericht in Deventer en kortweg de ‘Deventer Vereeniging’ wordt genoemd. De vereniging, die internationale bekendheid geniet, is opgericht om pioniers op te leiden voor een bestaan in Palestina. De jonge pioniers lopen stage bij land- en tuinbouwbedrijven in de omgeving van Deventer. Na de machtsovername in Duitsland in 1933 door de nationaalsocialisten, als de toestroom van joodse vluchtelingen toeneemt, lijkt de optie van een eigen joodse staat steeds aantrekkelijker, ook voor veel jongeren. Deze jongeren hebben vaak al vele omzwervingen gemaakt en ook in andere centra voor Palestina-pioniers gewerkt.

In Deventer zijn Ru Cohen en zijn vrouw Eva Königsberger de drijvende krachten achter de Deventer Vereniging. Zij wonen in een groot huis aan de Sandrasteeg, van waaruit zij de vakopleiding van de ‘chaloetsim’ coördineren. De opleiding, die ‘hachsjara’ wordt genoemd, kan wel vier jaar duren. De Cohens zoeken stageplaatsen in de omgeving en weten land- en tuinbouwers te vinden, die jongeren, die vaak nog nooit met hun handen hebben gewerkt, een kans geven. Ook in de gemeente Voorst strijken in de loop der jaren heel wat Palestina-pioniers neer. Op de eerder genoemde lijst uit 1942 met de 58 namen is ongeveer de helft Palestina-pionier.

De repressie wordt in de loop van 1942 steeds sterker en veel mensen proberen aan vervolging te ontkomen en vertrekken met onbekende bestemming. In het bevolkingsregister staat achter hun naam, VOW, Vertrokken Onbekend Waarheen. In het gemeentearchief is een brief van de burgemeester van 17 november 1942 te vinden, waarin hij naar aanleiding van het bepaalde in artikel 3 van de verordening van de Commissaris-Generaal van de Openbare Veiligheid verzoekt om de opsporing, de aanhouding en de voorgeleiding van 21 voortvluchtige joodse inwoners. Begin april 1943 doet een aantal landbouwers uit de gemeente nog een poging hun joodse werknemers voor het bedrijf te behouden. De burgemeester ondersteunt hun verzoeken, maar het mag niet baten. Ook probeert de burgemeester voor elkaar te krijgen dat in elk geval de oudste mensen in de gemeente mogen blijven. Alle moeite is echter tevergeefs. Op 13 april 1943 kan de groepscommandant van de Marechaussee de burgemeester meedelen dat er geen joden meer woonachtig zijn in de gemeente Voorst, uitgezonderd twee personen, die met een niet-joodse inwoner zijn getrouwd.

Na de oorlog wordt langzamerhand min of meer duidelijk wat er is gebeurd met de joodse inwoners van Voorst. Min of meer, want veel is dan nog niet duidelijk.

Als resultaat van een eerste onderzoek zijn sinds 4 mei 2016 twee lijsten beschikbaar: een lijst met de namen van de joodse inwoners van Voorst, die de oorlog niet overleefden en van wie een overlijdensakte is opgemaakt in de gemeente Voorst. Vaak is dat pas lang na de oorlog gebeurd. Dit is een lijst met 29 namen. Een tweede lijst bevat de namen van joodse inwoners van Voorst, van wie bekend is dat ze in de oorlog zijn omgekomen, maar van wie in de gemeente Voorst geen overlijdensakte is opgemaakt. Bij hun naam is alleen de vermelding VOW (Vertrokken Onbekend Waarheen) opgenomen in het bevolkingsregister. Soms wordt ook een adres genoemd waarheen ze, mogelijk gedwongen, afreisden, toen de vervolging al in volle gang was. Van zeven van deze, in de gemeente Voorst woonachtige jonge mannen, is nog niet (geheel) bekend, wat er met hen gebeurde na hun vertrek uit de gemeente. In één geval is in een andere Nederlandse gemeente een overlijdensakte opgemaakt, maar bij zes is dat niet het geval. De desbetreffende lijst is een lijst met 7 namen.

De verhalen achter de namen op deze twee lijsten zullen in de nabije toekomst worden gepubliceerd.

Stuur door

Stuur dit artikel door

stuurartikeldoor

Data