Een (cultuur)historisch overzicht

De huidige gemeente Voorst ontstond op 1 januari 1818 na samenvoeging van de kerkdorpen Voorst, Wilp, Twello, Terwolde en Nijbroek. Wat er in de verre eeuwen voor en na 1818 in onze gemeente plaatsvond, staat hieronder in een kort historisch overzicht.

Prehistorie

Het landschap van de gemeente Voorst weerspiegelt de regionale geologische ontstaansgeschiedenis van het IJsseldal en het oostelijk randlandschap van het Veluwemassief. Bepalend voor de uiteindelijke vorm van het landschap zijn de dekzandruggen uit de late steentijd, de ontwikkeling van het rivierenlandschap van de IJssel, en ook de mens.

De eerste bewoningssporen zijn terug te vinden op de dekzandruggen en dateren uit 12.000- 9.000 voor Chr., uit de Oude Steentijd.  Dekzandruggen zijn hogere terreingedeelten die  bijvoorbeeld in en rond Posterenk, Wilp-Achterhoek en  ten noordwesten van Twello te vinden zijn.  De eerste bewoners in die periode leefden  van de jacht, het waren nomadische (rendier)jagers. Daarom zijn uit deze periode  geen nederzettingssporen gevonden, maar wel losse vondsten zoals vuurstenen. De hoger gelegen locaties bleven voor de mens zeer aantrekkelijk als vestigingslocaties, want er waren voldoende bestaansmogelijkheden  voor de jagers en later voor de eerste landbouwers. De periode van de Late Steentijd, ca 2.000 v. Chr.) kenmerkt zich o.a. door grafheuvels. Men vermoedt dat grafheuvels, behalve om de doden een laatste rustplaats te geven, ook gebouwd en gebruikt werden  voor verering. In de gemeente Voorst zijn een zestal grafheuvels bekend en hebben de status van  gemeentelijke archeologische monumenten.

Door archeologische opgravingen die de afgelopen jaren in het gebied ‘Achter ’t Holthuis’te Twello hebben plaats gevonden- en die noodzakelijk waren om daar te kunnen bouwen- zijn we  meer te weten gekomen van de bewoninggeschiedenis. De oudste sporen die daar zijn aangetroffen dateren uit de Vroege IJzertijd (vanaf ca. 800 v. Chr.) en betreffen kringgreppels (randstructuren in de vorm van een ronde greppel rond een heuveltje met crematieresten) en huisplattegronden. Maar natuurlijk zijn ook  sporen uit de latere perioden zoals uit de Romeinse Tijd  en Vroege Middeleeuwen  zoals huisplattegronden, hutkommen en aardewerk teruggevonden.

Vroege middeleeuwen

Lebuinus

Volgens de eerste schriftelijke vermeldingen, uit oorkonden, blijkt dat vanaf de 8e eeuw diverse nieuwe ontginningsactiviteiten hebben plaats gevonden, bijvoorbeeld rond Wilp(ca. 765), Voorst (Vuorst 893) en Hunderen (Villa Hundere 959)  Een betere controle van de afwatering en waterstand in de IJsselvallei bleek nodig, zodat de vruchtbare bodem langs de rivier bebouwd kon worden. Zo ontstonden de eerste akkerbouw- en veeteeltboerderijen in onze gemeente.

Wilp staat in verband met de stichting van een kleine kapel door de Angelsaskische missionaris Lebuïnus   (oorspronkelijk Liafwin, wat ‘lieve vriend’ betekent) die  zich omstreeks 754 bij het Utrechtse bisdom meldde en de IJsselstreek als gebied toegewezen kreeg om te prediken. De naam Wilp werd geregistreerd als ‘Huilpa’ dat letterlijk ‘bronwater’ betekent. Later heeft Lebuïnus in Deventer ook een kerk gebouwd om zijn missiewerk te verrichten.

De naam Voorst is afkomstig van het latijnse ‘forestis’ en heeft betrekking op een bos. Naast Voorst zijn er andere toponiemen die duidelijk maken dat  de gemeente Voorst een bosrijke omgeving bezat: Bussloo , Gietelo, en Twello hebben een uitgang op ‘lo’, wat bos betekent.  Maar ook Terwolde, wat ‘woud’ of ‘moerasbos’ betekent en wijst op een vroege bebossing van het landschap.

Tijdens de Vroege Middeleeuwen woonde men verspreid, soms in kleine groepjes van enkele boerderijen. Dr. Dirk Otten startte in 2004 een onderzoek naar de boerderij- en veldnamen in de gemeente Voorst. In zijn boek ‘Boerderijnamen in Voorst’ (2009) heeft Otten een lexicon kunnen maken van ruim 900 boerderijnamen uit de periode 800- 2000.  Veel erven in Voorst behoorden tot het bezit van de Sint Salvatorabdij van Prüm. In de goederenlijst uit 893 worden 19 erven plus een kerk genoemd als bezit van de abdij. De abdij liet haar bezittingen beheren door een hof, zoals het ‘Hof van Voorst’.  Zo’n hof moet gezien worden als een centraal administratief centrum voor de omliggende horige erven. De horigen waren verplicht goederen in natura te leveren, diensten te verrichten en waren zeer beperkt in doen en laten. Zelfs wat betreft de keuze van hun huwelijkspartner.

Volle middeleeuwen

Vanaf de Volle Middeleeuwen werden steeds meer lage en nattere gronden in cultuur gebracht. Verschillende partijen drukten hun stempel op de ontginning van de IJsselvallei.  In 1328 gaf Graaf Reinald II van Gelre opdracht tot ontginning van het broekgedeelte rondom Nijbroek, ten noorden van Twello.  Bij de verdere exploitatie hebben de Monniken van het Kartuizerklooster te Arnhem een belangrijke rol gespeeld. Er werd een stelsel van hoofdweteringen gegraven, aangevuld met een groot aantal ondergeschikte watergangen. Tot de periode van de 13de en later ook in 14e eeuw vinden onder invloed van de hoven aan aantal nieuwe ontginningen plaats. Vroege voorbeelden zijn het Wezeveld, Appen, en de hof van Gietel. Later ook Duistervoorde, BusslooI en Twello. Vermoed wordt dat dit wordt veroorzaakt door de toenemende bevolkingsdruk; als gevolg hiervan is ook Terwolde ontstaan.
In het meer zuidelijke deel van de IJsselvallei, onder andere rond Voorst en Twello, domineerde het grootgrondbezit.  De vruchtbare kleigronden  overstroomden regelmatig en waren de economische basis van de landgoederen.  Het kwam wel ten goede aan de vruchtbaarheid van de grond, maar bemoeilijkte de bewoning. Daarom liggen nog veel boerderijen met een oude bewoninggeschiedenis op terpen. 

Late middeleeuwen

Om de niet in cultuur gebrachte gemeenschappelijk gebruikte gronden te beschermen tegen nieuwe ontginningen werden in de 13e en 14e eeuw zogenaamde markegenootschappen opgericht. Aan het einde van de middeleeuwen namen de marken gedeeltelijk de taken van de buurschap over. In de marke hadden de geërfden een stem, d.w.z. de bezitters van en ‘volle hoeve’. In 1800 waren op het grondgebied van de gemeente Voorst de volgende markeorganisaties nog actief: Voorst en Noord-Empe, Teuge of Silvolde, Aard en Aarderbroek, Gietel, Zinderen en Voorsterklei, Appen. Rond het midden van de 19e eeuw waren alle marken verdeeld.

Nieuwere en nieuwste tijd

De bevolkingsgroei neemt langzaam toe, wat onder meer tot uiting komt in ontginningen van woeste grond. Het waren veelal kleine kampontginningen door keuters. Zij stichtten kleine bedrijfjes aan de randen van de gemeenschappelijke gronden. Voorst ontwikkelde zich in de Nieuwe Tijd tot één van de welvarendste kerspelen van de Veluwe, samen met Veessen, Brummen en Vorgten. De vruchtbare gronden van de IJssel  waren hiervan een belangrijke oorzaak. Naast boerderijen zien we in de loop van de 18e eeuw diverse buitenplaatsen ontstaan. De elite onder de stedelingen (veelal Deventenaren) gingen voor hun rust en ruimte een ’buiten’ zoeken. Rondom hun huizen- vaak waren het verbouwde kastelen of boerderijen, soms ook geheel nieuw ontworpen huizen- werden imposante geometrische tuinen aangelegd. In de 19e eeuw nam het aantal buitenhuizen nog meer toe en koos men voor de aanleg van de tuinen voor de Engelse landschapsstijl. Indien de buitenplaats deel uitmaakte van een landgoed bezat deze vaak ook nog één of meerdere boerderijen met landbouwgrond. Het merendeel van de buitenplaatsen liggen als een krans van landgoederen om Twello.

In alle eeuwen was de gemeente Voorst door haar strategische ligging het middelpunt van een oorlog. Gelegen aan de IJssel die zowel als barrière als verdedigingslinie diende. Zo vormde de rivier in de 11e en 12e eeuw al een barrière bij de ruzies tussen de graven van Gelre en de bisschop van Utrecht. Tijdens de 80 jarige oorlog, de veroveringen  van Napoleon en ook nog  gedurende de WOII speelde de IJssel een belangrijke rol.

De groei van de gemeente Voorst is in de tweede helft van de 20e eeuw niet het gevolg van de trek naar buiten vanuit de steden. Het is meer te verklaren door de natuurlijke aanwas, gecombineerd met een daling van het aantal mensen dat de gemeente verlaat.  Na WOII veranderde er voor de gemeente Voorst meer.  Twello werd bestempeld als het groeidorp van de gemeente mede dankzij de vleesfabrieken in Twello en andere ontwikkelingen op industrieel gebied. Verder kende de gemeente Voorst een klompenindustrie en steenfabrieken, maar deze zijn inmiddels verloren gegaan. Krepel  Klarenbeek behield zijn belangrijkste functie als sigarenkistenfabrikant, voorheen de koperslagerij en Twello werd het centrum van de gemeente Voorst.

Stuur door

Stuur dit artikel door

stuurartikeldoor

Data